Met een enorme lach op mijn gezicht zit ik achter mijn laptop. Ik kan het niet geloven. Dit steuntje in de rug is nét wat ik nodig had om de laatste 4 weken van mijn New York Marathontraining met hoop en motivatie te volbrengen.

Afgelopen zondag rende ik de halve marathon van Eindhoven met de Subway Running Club, de laatste en daarmee ook meteen spannendste run van de drie Subway runs die ik dit jaar mocht rennen. Als je mijn artikel van zaterdag hebt gelezen, weet je dat ik niet zoveel vertrouwen had ik deze run. Dit komt grotendeels omdat ik vorig jaar, precies rond deze tijd, met één been in de lucht op een wonder (dat nooit kwam) aan het hopen was. Bang dat de NYC-marathon net zo in de soep zou lopen als de Amsterdam-marathon 2016, was ik enorm zenuwachtig. Deze halve marathon, zo vier weken voor de hele, voelde als een test. Zou dit fout gaan dan zou ik de marathon wel kunnen vergeten. Aangezien ik volgens het sportrusten-schema train, rende ik nooit verder dan 14 (ok, één keer 16) km. Zou ik deze 21.1 kilometer blessurevrij kunnen lopen, dan zou ik al een stuk geruster zijn over de NYC-marathon.

Met die gedachte in mijn achterhoofd vertrok ik zondag 09:30 richting Eindhoven voor de Eindhoven DLL halve marathon.

Om 11:30 kwam ik aan in een regenachtig, bewolkt Eindhoven. Na het ophalen van de startnummers vertrok ik direct richting Subway (Stationsplein 30) waar we hartelijk ontvangen werden met chocolate chip cookies en drankjes. Die konden we overigens goed gebruiken, want de zenuwen waren inmiddels al flink aanwezig. En niet alleen bij mij! Als 7 zenuwachtige kleuters vertrokken we naar het start vak. In één uur tijd deden we geloof ik 6 plasjes.

Je moet wat.

14:00: Het startschot klinkt. Mijn hart begint sneller te kloppen en langzaam komen mijn benen in beweging. Het gaat niet lekker en ik voel mijn kniepees een beetje zeuren, net zoals dat ‘ie voor de start deed. Het begin gaat langzaam, heel langzaam, en door de drukte krijg ik geen lekker tempo te pakken. Potverdorie.

De eerste kilometers gaan zo door: Ik voel me moe, heb zware benen en denk zelfs mijn blessure te voelen. Even baal ik van alles en de hele wereld. Ik wil uitstappen en opgerold in bed liggen, in plaats van hier in de regen het al zwaar te hebben na de eerste kilometer.

Maar dan opeens gebeurt er iets opmerkelijks.

Na zo een vijf kilometer begint het parcours iets rustiger te worden en lukt het me mijn eigen tempo aan te nemen. Mijn benen gaan ineens sneller, voelen minder zwaar en zelfs mijn knie lijkt zich stil te houden. Rond een tempo van 5:30 min/km huppel ik mijn weg door de menigte. Ik pik al rennend een banaantje mee bij één van de verzorgposten en ren vrolijk door. Dit gaat lekker. Heel lekker.

Rond kilometer 9 vraag ik me af of het verstandig zou zijn om een gelletje te nemen. Ter voorbereiding op de NYC marathon moet ik oefenen met gelletjes, maar dat heb ik tot op heden door de korte afstanden nog niet gedaan. Ik twijfel en even besluit ik het niet te doen: Wat nou als ik ineens misselijk word van zo een vies, blubberig gelletje en mijn lekkere tempo verpest? Toch zet ik me er uiteindelijk overheen. Je moet oefenen Lau, anders weet je nooit wat werkt voor jou. Ik besluit te wachten tot kilometer 11, dan ben ik over de helft en heb ik nog 10 kilometer te gaan.

In één teug laat ik de blubberige substantie met een vage bosvruchten smaak door mijn keel glijden. Gad-ver-damme. Ik moet me inhouden om niet te kokhalzen. Toch merk ik na een tijdje dat het een positief effect heeft op mijn energieniveau. Ik ga geleidelijk steeds sneller en dat zonder enige moeite!

Bij kilometer 18 moet ik mezelf redelijk de moed in praten. Mijn snellere tempo heeft ervoor gezorgd dat ik verzuurde benen heb en ik merk hier en daar wat pijntjes in mijn hiel, heup en bovenbenen. Niet zeuren, dat hoort erbij Lau.

Totaal onverwachts kom ik vlak na de 18 kilometer de 2 uur pacer tegen. Zat ik daar dan niet allang voor? Ja maar wacht eens even, dát gaan we niet laten gebeuren. Aangezien mijn ego het niet kan verdragen achter de 2 uur pacer te kwakkelen, trek ik een sprintje. Dat sprintje voelt eigenlijk best wel goed en ik besluit mijn tempo nog iets te versnellen. Inmiddels heb ik er stiekem ook wel genoeg van en hoe sneller ik loop, hoe eerder ik straks een 30cm Sub weg kan werken. Met de Sub en de medaille in het vooruitzicht loop ik de laatste 3 kilometer flink wat door, al versnellend. Terwijl ik de laatste 500 meter nóg sneller loop dan voorheen, schiet me ineens iets te binnen:

Ik loop een freaking halve marathon met een nog perfect werkende knie.

Hier had een paar maanden terug alleen nog maar van kunnen dromen. Ik neem mijn medaille in ontvangst en kan wel janken van geluk. I did it! Met een tijd van 1 uur, 57 minuten en 30 seconden kom ik over de finish.

Na afloop strompel ik naar de Subway. Ik heb nú al stijve benen en spierpijn in mijn bovenbenen. Dat krijg je ervan als je 30 seconden per minuut sneller rent dan je geplande marathontempo ;-). Als beloning neem ik geen halve maar hele Sub van 30 centimeter en doe ik er extra veel kaas op. Kalkoenfilet, kaas, avocado, sla, tomaat en komkommer. Heerlijk en zó verdiend!

Aan alle andere toppers van de Subway Running Club: gefeliciteerd met jullie mooie prestaties en heel veel succes met de trainingen voor jullie volgende doelen!

Liefs,

Lau