Wat gebeurt er als je een halve marathon zonder enige voorbereiding rent? Daar kan ik je na afgelopen zondag antwoord op geven.

De hardlooppauze

Mijn hardloopmotivatie was behoorlijk ver te zoeken de afgelopen maanden. Dit is niets nieuws. Het gebeurt me elk jaar weer rond de wintermaanden, wanneer ik een periode van veel trainingen en wedstrijden afsluit. Ik had zojuist een personal best gelopen tijdens de halve marathon van Taiwan en was uiterst trots op mezelf. Zo trots dat ik mezelf niet een, niet twee maar vier maanden hardlooppauze gaf.

“Ha- en dat noemt zich een hardloopster!” – hoor ik je denken.

Wees gerust, hardlooppauze betekent niet dat ik vier maanden lang de hardloopschoenen niet aantrek. In Lau’s woordenboek is een hardlooppauze simpelweg rennen wanneer ik wil, hoeveel ik wil. De afgelopen maanden verschilden dus enorm qua kilometers, maar het kwam erop neer dat ik nooit meer dan zeven kilometer per run aantikte, met een gemiddelde van twee runs per week. De afgelopen maand was daarbij het toppunt, waar ik door persreisjes een totaal van vier vijf kilometer runs aantikte. Dat gezegd te hebben kun je dus concluderen dat ik allesbehalve goed getraind was.

Impulsieve actie

Na een week alleen maar op mijn kont te hebben gezeten op Curaçao voelde ik me gemotiveerd genoeg om sinds maanden een twaalf kilometer eruit te persen. Ik verzwikte daarbij mijn enkel en had dagen zware benen, maar man, wat voelde dat goed. Ongepland had ik mijn hardloopverslaafde ik geprikkeld en alsof het lot het zo wilde, werd ik via Tony’s neef op een startbewijs van de halve marathon van Málaga gewezen. Als ik vandaag twaalf kilometer kon rennen, dan zou ik over een week er toch wel negen meer uit kunnen persen?

De dag voor mijn race nam ik net zo serieus als ik de New York Marathon had genomen. Ik at de hele dag door zelfgebakken bananenpannenkoeken en dronk water alsof mijn leven ervan af hing. Ook hield ik rust, net zoals ik die hele week had gedaan. Ik had zo weinig voorbereiding gehad dat extra rennen mijn lichaam alleen maar meer zou belasten. En dus genoot ik van mijn zogenaamde taperperiode, vol dutjes en pannenkoeken. Oh, wat was het leven als hardloper toch fijn!

Tot dat de wekker ging.

Waar ben ik aan begonnen?

Het schelle geluid van mijn wekker gierde door de kamer. Met een chagrijnig hoofd en ananasknot rolde ik uit bed, regelrecht naar het koffieapparaat. Eenmaal aangekomen bedacht ik me dat koffie misschien niet zo een goed idee zou zijn (want, vocht afdrijvend) en dus ging ik voor een thee. Buiten schreeuwden de laatste dronken gasten uit de discotheek onder ons huis de longen uit hun lijf. Terwijl mijn kat blij en verbaasd was mij zo vroeg op een zondagochtend uit bed aan te treffen, was het enige wat ik dacht:

“Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen?”

Vandaag was ik Rubén, de sportieve knappe Spanjaard van de triatlonvereniging uit Fuengirola. Waarom Rubén vandaag niet rende wist ik niet en deed er ook niet toe. Ik zou Rubén bewijzen dat zijn naam de finish zou halen terwijl ik keihard duimde niet door de organisatie gediskwalificeerd te worden en voor de rechter te belanden met identiteitsfraude. Kuch.

Eenmaal aangekomen bij het groene startvak, míjn startvak, kreeg ik de schrik van mijn leven. Rubén bleek vooraan te starten met een Sub 01:15, tussen de écht snelle Sergios en Salvadoren. Ineens viel ik verdomd veel op in mijn fluorescerende perzikpakje tussen alle geavanceerde Speedy Gonzalez mannetjes. Een ander start vak in was geen optie, dus dook ik zo snel mogelijk met mijn hand voor het kaartje dat HOMBRES (mannen) schreef naar binnen. Het lukte. Nu zou het echte werk beginnen.

Ben & Jerry’s, por favor

De eerste kilometers waren dramatisch. Al mijn gewrichten kraakten door het feit dat ik een week lang niets had uitgevoerd. Een warming up had geen verkeerd idee geweest. Vervolgens werd ik zo een half uur lang door Juan en alleman ingehaald. Ik keek op mijn horloge en bleef trouw aan mijn pace van 06:00 min. per kilometer. We strompelden langs de prachtige zee van Málaga en keerden bij de rotonde, om vervolgens via dezelfde route weer terug te rennen. Dit zorgde ervoor dat we aan de andere kant van de weg de lopers zagen die achter ons gestart waren. Allemaal leuk en aardig, tot ik ineens de rolstoelen en hardlopers met kinderwagens voorbij zag komen. Achter deze onwijs gedisciplineerde mensen (maar echt, respect!) bevond zich namelijk de bezemwagen. De bézemwagen. Alle alarmbellen gingen rinkelen. Hoe kon het zijn dat ik nu al bijna bij de sloomste stoet lopers behoorde? Ik was nog wel als eerste gestart! Ik checkte nogmaals mijn horloge, waar toch echt een pace van 05:55 min. per kilometer stond. Waren al deze lopers dan zo verdomd snel? Ik beloofde mezelf toch trouw aan mijn pace te blijven en bleef af en toe over mijn schouder kijken. Mijn rustige, lekkere pace was veranderd in een nerveus zenuwen pasje.

Op kilometer vijf begon ik mijn knieën te voelen. Geen blessure pijn, nee, die pijntjes herken ik inmiddels als geen ander. Eerder het zeurende gevoel dat je krijgt wanneer je je lichaam meer vraagt dan het gewend is. Mijn miezerige lichaampje maakte duidelijk dat het geen flauw benul had waar ik mee bezig was. Ook ik begon me af te vragen wat me bezielde. Met nog zestien kilometer te gaan en een lichaam dat al uitkeek naar Ben & Jerry’s en mijn bed beloofde het nog een lange rit te worden.

Adios, amigos

Na zo een kilometer of tien begon het me op te vallen dat de mensen die mij eerder zo enthousiast inhaalden, nu weer achter mij belandden. Ha! ¡Adíos, amigos! Mijn hart maakte een sprongetje. Ik mocht dan wel niet de snelste zijn, maar ik ken mijn lichaam door en door. Dit maakte dat ik én niet te snel van start was gegaan en wist hoe ik de warme temperaturen moest handelen. Ik was niet getraind op zo een afstand en het was achttien graden in Málaga, dus het de verzorging geven die het nodig had was het minste wat ik kon doen. Elke vijf kilometer nam ik vier grote slokken water en gooide ik de rest van het flesje over mijn benen, hals en gezicht. Na twaalf kilometer zag ik de eerste man langs de kant met zijn benen in de lucht, KO. Dit motiveerde mij om het water ritueel elke vijf kilometer, rennend en al, te herhalen om vervelende akkefietjes te voorkomen. Ik gaf mijn lichaam alles wat het nodig had om die finish zo fris mogelijk over te gaan.

En toch was het een van de zwaarste dingen die ik in het afgelopen jaar gedaan heb.

Ik had mijn ademhaling en tempo onder controle, maar na tien kilometer begon alles écht te zeuren. Zware benen. Zere voeten. Vermoeide nek. Knieën die zoveel stappen helemaal niet meer gewend waren. Het maakte dat ik deze halve marathon niet met mijn lichaam rende, wat zeg ik, mijn lichaam deed maar wat. Het was mijn mentale kracht die me er doorheen sleepte. Elke stap weer mijn gedachten verzetten om de pijn en het ongemak te negeren. Gewoon doorgaan. Meezingen met de muziek. Focussen op de stappen. Aftellen tot de volgende drinkpost. Elke keer weer, stap voor stap, kilometer voor kilometer, tot opeens het eenentwintig kilometer teken in zicht was.

Wauw.

Met mijn laatste energie perste ik er een versnelling uit en ging ik met mijn grootste lach naar de finish, waar ik de streep met een tijd van 02:06:00 overging.

Waarom zou je dit doen? Waarom zou je vrijwillig lijden en trots zijn op iets waar je niet voor getraind hebt?

Truth is, ik was gewoon nieuwsgierig. Ik heb halve marathons ervaren waar ik tot het uiterste ging om een mooie tijd neer te zetten. Het waren dan altijd mijn benen die sneller wilden, maar mijn conditie die zo veel van me vroeg dat het een hele zware rit werd. Andersom heb ik halve marathons ver onder mijn trainingsniveau gerend, waardoor ik fluitend over de finish ging. Nooit eerder had ik een halve marathon zonder enige voorbereiding gerend, dat was een te groot risico. Tot nu. En het was zwaar. Het was een pure mind game, waarbij ik me constant bezig moest houden en uit moest dagen om mezelf niet te laten lopen of zelfs uitstappen. Ik had spijt, onwijs veel spijt en kon alleen maar hopen dat het snel over was. Althans, tot ik over de finish kwam.

“Wanneer mag ik weer?”

Note Raad ik het aan? Nee! Een halve marathon zonder voorbereiding lopen kan gevaarlijk zijn. Ik voelde me verantwoordelijk genoeg om het risico te nemen, omdat ik mijn lichaam ken. Ik herken de signalen en weet wanneer ik moet stoppen. Bovendien is een hardloopwedstrijd veel leuker als je ervoor traint. Het zijn de maanden naar de race toe dat je jezelf moet bewijzen. Weet je die maanden te voltooien, dan kan je pas écht trots zijn op jezelf.

Liefs,

Lau